Vertaalbureau
Diensten
Kennis
Tarieven
Contact
Cursus
Tsjechisch Intensief
Toetsenbord
Cultuur
Portretten
Kalender
Literatuur
Pantheon
Tsjechisch
Engels

www.tsjechisch.nl

Wereld van de Slavische goden en demonen

Griekse en Latijnse auteurs kenden de Slaven vanaf de 6de eeuw n. Chr. onder de namen: Sklavénoi, Stlavénoi, Sclaveni of afgekort: Sklaboi, Stlaboi, Sclavi. Hiermee kan de uitgang -slav bij voornamen worden uitgelegd. Slaven hebben zichzelf volgens de geschriften vanaf de 9de eeuw Sloveni genoemd; wat waarschijnlijk 'mensen machtig van het woord, de sprekende mensen' betekent. Zij noemden hun buren, die zij niet konden verstaan, 'Němci (němý = stom, iemand die niet kan spreken).

De wat latere voorkomende namen roept een idee op; dat Slaven in de vroegere tijden onder een andere naam bekend waren. De aandacht gaat naar de geheimzinnige Veneden, over wie Plinius Sr. en Tacticus in de 1ste eeuw n. Chr. schreven. Tacticus twijfelde of hij hen met de Iraanse nomadische stam de Sarmaten in verband moest brengen of met de Germanen. Ptolemaois (2de eeuw n. Chr., aardrijkskundige) plaatste hen oostelijk van Visla bij de Venedese inham (golf) en bij de Venedese bergen, die waarschijnlijk bij de Karpaten liggen. Het is een gebied dat later een domein van de Slaven werd.

In de 6de eeuw identificeerde de Byzantijnse historicus Jordanes de Veneden met de Slaven. Dit geeft de indruk dat de identificatie van de oude Veneden met de latere Slaven gegrond is. Het lastige is dat de naam niet Slavisch is, maar waarschijnlijk Keltisch of proto - Indo-Europees. (Ven'd.)

Wij kunnen uit oude geschriften er moeilijk achterkomen hoe de Slaven de wereldschepping en de oorsprong van de mens voorgesteld hadden, welk lot en welke gebeurtenissen zij gegeven hadden aan goden, die wij vaak alleen bij naam kennen, of welke functies en vereringrituelen zij kregen. De Slaven hadden geen eigen Edda als de Noord Germanen, zij hadden geen eigen boek zoals Mabinogi, Dun Cow, The Book of Kells, Leinster en andere voor de Kelten, om zelf hun denkwereld te kunnen vertolken. Zij bleven slechts bij mondelinge traditie.

Voor de Slaven, net als voor het merendeel van de Indo-europeanen, was karakteristiek de eerbied voor een dondergod: de Indische Indra, de Griekse Zeus, de Romeinse Jupiter, de Germaanse Thor, de Keltische Taranius, de Baltische Perkunas, Perkons. Deze hebben hoofdzakelijk overeenkomsten met de Slavische Perun. De Perun-cultus heeft ook verband met de heiligheid van een eik, die aan hem gewijd was; de eerbied voor deze boom is eveneens een Indo-europese verschijning.

Niet helemaal duidelijk is de oorsprong van de Slavische cultus van het ei. Dit bleef slechts over in een traditie in de vorm van paaseieren die vaak versierd waren met kosmische symbolen; de oudste vondsten komen uit het gebied rond Kiev uit de 9de en 10de eeuw. Het ei speelde ook een belangrijke rol in de Indische kosmogonie: Brahma werd uit een ei geboren. Vergelijkbare voorstellingen vinden we ook elders, bijvoorbeeld bij Platon. Ook de eerbied voor de bomen en de wouden was waarschijnlijk een bredere bezit van de Indo-europeanen.

De wereldschepping

De essentie van een mythe is een samenwerking van God en Satan in het proces van de schepping. In het begin is de schepping slechts een zee - de pro-oceaan van alle kosmogoniën inclusief de wateren van de bijbelse Genese. In tegenstelling tot de Genese, zweeft boven de wateren niet alleen de geest van de god, maar naast de god staat ook de satan, die volgens een variant zelf de aanleiding geeft tot schepping van het vaste land, volgens een ander variant krijgt hij daarvoor de opdracht van de god.

Het is noodzakelijk de kiem van het land uit de oceaan te vissen, alleen de satan is in staat om dat te doen, omdat hij voldoende kracht daarvoor heeft. En toch is deze opdracht niet gemakkelijk, het lukt hem pas na zijn derde duik - omdat hij in het begin het in zijn eigen belang deed en niet in de naam van de god. En toch probeert hij de god op te lichten door het gevraagde zand in zijn mond te stoppen om ook zelf wat te kunnen scheppen. Het zand begon echter in zijn mond te groeien, zodat hij het moest uithoesten en moest uitspugen: zo onstonden woestijnen, bergen, kale rotsen en moerassen, terwijl de god alleen schone vlaktes en vruchtbare velden schiep.

Schepping van de mens

De god waste zich in bad en zweette; hij wreef zich met een strobundel, die hij vanuit de hemel op de aarde gooide. De satan redetwistte met de god over wie van de strobundel een mens moest maken. En daarom schepte de satan de mens en de god legde een ziel in de mens, zodat als de mens zal sterven het lichaam op aarde zal blijven en de ziel naar de god zal gaan.

Beeld van de wereld en de kosmos

De eerbied voor de aarde als voor de grote moeder van de mens heeft oeroude wortels die terug gaan tot het Neolithicum. Diezelfde eerbied kreeg ook haar tegenpool - de hemel. Als de aarde de moeder was, was de hemel de vader. Het is de algemene gebruikte polariteit van veel mythologieën. De Slavische uitdrukking 'nebe' - (hemel) correspondeert met het Oudindische nábhas, het Iraanse nabah, het Griekse nefos, het Latijnse nubis, de Duitse Nebel. En oorspronkelijk betekent het de hemel met de wolken.

De hemellichamen waren opgevat als godenschepsels. De Slaven, net als de Indiërs of de Germanen, zagen in de zon het allesziende oog of de gouden koets getrokken door witte paarden (de Griekse Hélios), maar het meest zagen ze de zon als een lichtwezen met vleugels, in een mannelijk of in een vrouwelijk gestalte, met gouden haren of met vuurpijlen van de zonnestralen. Zij zetelt in het oosten, waar ze 's morgens in de zee baadt. Op haar dagelijkse tocht vecht ze met de demonen van de wolken, bij verduistering bedreigt haar een draak of een weerwolf, evenals bij de Germanen de hemelwolf Feuriz.

De maan werd geëerd als een jonger broertje van de zon. Hij speelde een grote rol in de magie, waarzeggerij en demonolatrie, maar ook in volksgeneeskunde, het economisch leven en in een onuitputtelijk aantal van legendes. Van de sterren kreeg Venus - Zora de meeste eerbied. Net als de Griekse Etós was zij voor de Slaven de zuster van de zon en de maan. Haar cultus is slechts bewezen door folklore, maar ze heeft ongetwijfeld oude Indo-europese wortels. Haar invloed was als weldadig ervaren, zowel in de zaken van de liefde, in de genezing van de ziektes, als in de verzekering van de oogst.

De overige sterren maakten de hemelse familie compleet - in de rol van de kinderen van de zon en de maan. Het uitzicht op de hemel riep in de mens gevoelens van verwantschap op - iedereen had in de hemel zijn eigen ster, die met hem geboren werd en dood ging. Daarom is het aantal sterren in de hemel gelijk aan het aantal mensen op aarde. De sterren van goede mensen schijnen in een volle glans en die van slechte mensen schijnen slechts mat. In het ogenblik dat de mens sterft valt zijn ster.

DE BELANGRIJKSTE GODEN

Svarog

Svarog wordt hetzelfde gezien als Héfaist, de god van vuur en Dažbog, zijn zoon, als de god van de zon Hélio. Svarog stichtte de wet over de monogamie, wiens verstoorders in vuurovens moesten worden gegooid. Dažbog heeft als opvolger van Svarog deze wet in stand gehouden. Beide goden hebben naast hun natuurfunctie ook de sociale functie vervuld. Svarog was een personificatie van het hemelslicht en van de warmte, schepper van alle dingen en ook van de maatschappelijke wetten. Hij is eigenlijk een Slavische godvader, behorende tot de oudere generatie van de goden die later naar de achtergrond gedrukt werden.

Svarožic - Dažbog

Godzoon - de jongere godengeneratie.
Als zoon van Svarog werkte Svarožic als bemiddelaar en schenker van het licht en vuur, de basisvoorwaarden van het leven op aarde. Daarom werd hij geëerd, vooral in de jaarritmes van zonkeringen en dag- en nachteveningen, die een zeer grote betekenis voor boeren hadden.

Perun

Net als bij de meerderheid van de Indo-europeanen, stond aan het hoofd van het Slavische pantheon de god van de storm, donder en bliksem, bekend onder de naam van Perun (letterlijk 'die, wie veel slaat). Het wapen van Perun was een bijl, dat was het geliefde wapen van de Slavische krijgers. Het gaat hier om hetzelfde idee als de bekende hamer Mjöllnir van de Germaanse Thor. De amulet van de bijl moest waarschijnlijk Perun beschermen en hem zijn goddelijke kracht geven. De eik, de sterkste en hardste boom en waarschijnlijk ook de iris werd ingewijd aan Perun. Net als de andere Indo-europese dondergoden was ook aan Perun de donderdag gewijd. (Donnerstag, thursday, jeudi, donderdag,)

Veles (Volos)

Veles functioneerde als beschermer van het bezit. Het is niet uitgesloten dat Veles oorspronkelijk de heerser van de doden was. Na de komst van het Christendom deelde Veles, samen met andere heidense goden, het lot van degradatie in de demon, de duivel.

Simargl

Simargl is het grootste raadsel. Er bestaan twee mogelijkheden van uitleg:
1. zijn naam komt uit het Iraanse senmurv - símurg; dat een heilige vliegende hond betekent, beschermer van bloemen en planten uit Avesta.
2. zijn naam stamt van de Slavische uitdrukkingen: sem = gezin en rgl - rž = rogge, koren.
Sem is een beschermer van het vee en Rgl is een beschermer van het koren. Allebei zijn zij basisfactoren van het economisch leven.

Mokoš

Mokoš was waarschijnlijk een belichaming van 'het moedertje van de verweesde aarde', vochtige, vruchtbare aarde, waarvan de Slavische boer hield als van zijn eigen moeder. Van deze kant lijkt zij heel erg op de enige Iraanse godin Ardví Súra Anáhita, godin van de vochtigheid (ardví = vochtig), die als een levensstroom zorgde voor de oogst, veeteelt, schapenteelt en voor de bevallingen.

Trojan

Trojan behoort tot de twijfelachtige personen, ook al ziet een groot deel van onderzoekers hem als de vergoddelijkte Romeinse keizer Trojan (98-117 n. Chr.). Trojan is ook een Oud-Tsjechische naam, met betekenis 'derde', d.w.z. als derde geborene - naast Druhoš (de tweede), Paták (de vijfde), Šesták (de zesde), enz. Zijn naam is dus een Slavische naam en hoeft niet afgeleid te worden van een Romeins voorbeeld. Wij zijn niet in staat zijn raadsel op te lossen - het hoeft niet om een god te gaan, maar misschien over een mythisch persoon van een onbekende karakter of om een demonisch wezen zonder een nabije bepaling.

DE NATUURGEESTEN EN DEMONEN

Het breedste domein van de oude Slavische godsdienst vormt een demonolatrie - een cultus van natuurgoden, talrijke wezen van lagere klassen, die de natuurwetten levendig maken en krachten die de mens omringen. Wat dat betreft, verschillen zij in het geheel niet van het heidendom en van andere etniciteiten, zelfs niet van andere wereldgodsdiensten, zoals het Christendom, de Islam, het Boeddhisme, waar de lagere geesten, de goede of de kwaadaardige, het noodzakelijke ideologische substraat van hogere wetenschappen voorstellen. De oude Slavische benaming voor demonen waren uitdrukkingen als 'diva' en 'bes'.

Elementgeesten

De aarde: het aardse element van substantie presenteren de geesten van bergen, rotsen, grotten en stenen.
Berggeesten werden in het bijzonder geëerd. In Tsjechië waren arbeiders in steengroeven bang voor de steengeest, die in het geluid van het getrappel van paarden of in het geraas van een sterke wind spookte. Krkonoše (het Reuzengebergte) was het domein van de berggeest Krakonoš, die de slechte strafte en de goede beloonde.

Waterschepsels

De hoogste verlichting bereikte de cultus van de geesten en de waterelementen.
De in bronnen, rivieren, meren en in zeeën verblijvende schepsels hebben merendeels een vrouwelijke gestalte. De oude nimfen corresponderen met de Slavische víla, samovila (fee), rusalka, vodní of morská panna en žinka (waternimf, zeemeermin), die in wezen allemaal dezelfde eigenschappen hebben, ook in de sfeer van hun werkzaamheden.

Zij worden beschreven als wonderschone meisjes met een doorzichtig lichaam in een witte jurk, met lange gouden of rossige haren, die de bron van hun leven en kracht zijn. Verloor één van hen haar haren dan betekende dat voor haar de dood. Hun betoverende verschijning wordt ook benadrukt door hun mooie stem. Zij hebben de mogelijkheid zichzelf in dieren te veranderen, vooral in zwanen, maar ook in paarden, soms in een valk of zelfs in een wolf. Net als de oude Diana gaan ze vaak te paard op jacht. Víla's kunnen de toekomst voorspellen en ze hebben verstand van heling, vooral bronnimfen, wiens bron geneeskrachten heeft.

De verhouding van nimfen met mensen is zeer interessant. Tegenover jonge sterke mannen straalt de nimf vaak liefde uit. Zij schenkt hem haar liefde en hulp in het leven en als hij in gevecht is met vijanden.

Tot een huwelijk met mannen komt het vaak ook niet vrijwillig: als jonge man bemachtigt hij hun neergelegde zwanenvleugels of teugels. Op het moment dat de nimfen deze weer terug krijgen of als hun lange haren worden afgeknipt, verdwijnen ze. De nimfenkinderen zijn zeer wijs en hebben een goed geheugen.

Maar de nimfen kunnen ook kwaad veroorzaken. Zij wreken beledigingen, storingen van hun dansen of ongehoorzaamheid van hun aanwijzingen. Ze kunnen een mens gestoord maken, net als de oude nimfen. Het lijkt erop dat de uitwerking van 'rusalka' op mensen - in tegenstelling tot 'víla' meestal negatief was. Waarschijnlijk komt dat als consequentie van hun veronderstellende manische oorsprong: zielen van niet gedoopte kinderen, verdronken meisjes, vrouwen die zelfmoord gepleegd hebben, bruiden die voor hun bruiloft gestorven zijn, enzovoort. Over het algemeen waren het zielen van ongelukkige mensen, aan wie men moest denken, anders zouden zij wreken.

De mannelijke vertegenwoordiger van het waterschepsel is de waterman. Terwijl de nimfen, víla's en rusalka's groepswezens zijn, treed de waterman individueel op. In zijn milieu werkt hij vaak alleen, tegenover de mens vaak negatief. Het liefst verblijft hij in donkere wateren. Vooral molenaars, vissers en zwemmers hadden met hem negatieve ervaringen en daarom probeerden zij door middel van offers (vooral dierenoffers) hem tevreden te stellen. Het was noodzakelijk om een paardenhoofd in de dam te metselen anders zou de waterman deze kapot maken. De waterman kon in verschillende dieren veranderen, vooral in waterdieren. Overdag verstopte hij zich in de diepte en in de nacht kwam hij naar de oever, daar rustte hij en kamde hij zijn haar. Hij sliep in de winter en werd pas wakker in het voorjaar, wanneer hij driftig ijs kapot maakte en donderde met de waterspiegel. Onschadelijk was hij gewoonlijk op de vrijdag, die aan hem gewijd was.

Luchtschepsels

De gepersonifieerde voorstellingen van atmosferische verschijnselen kennen we voornamelijk uit de volksliteratuur - de winden zijn de kleinkinderen van Stribog.

De eerbied voor de winddemonen en de wolkverschijnselen reikt tot de oudste tijden, wat bijvoorbeeld de Oudindische Váju a Maruti, de Griekse Aiolus met zijn zonen en dochters, de Germaanse Wuotau en de Baltische Vejopati bevestigt. De zetel van winden is het einde van de wereld bij de zee of een boshuisje op een draaiende muispoot. Hun heerser is de huisvader, in Slowakije de windkoning die in een wolkenwagen rijdt, waarvoor een viertal vurige paarden zijn gespannen.

De broer van de wind is de vorst, die vooral geëerd wordt bij de oostelijke Slaven als een oude man die met een trojka met een span van witte paarden aankomt en het winterse weer oproept. Met kerstmis offerde men hem pap en zure soep. Later veranderde hij in opa Vorst die met kerstmis kwam.

Moeder, of eventueel de echtgenote van de wind, werd in Tsjechië als 'větrnice' beschouwd, bekend als Meluzina, een vrouw in een wit gewaad, met lang loshangend haar die in de schoorsteen jammerde. Het opvallend negatief aspect van de luchtschepsels stelt baba Jaga voor. Het gaat hier om een persoon die gezien wordt als een kwade oude vrouw, ze is lelijk, met haar haar in de war, een grote neus, een lange kin en ijzeren tanden. Ze vliegt op een ijzeren staaf, aangedreven door een klopper, waarbij ze met een bezem haar spoor wegveegt. Zij is een symbool voor verzoening: met storm moet men een schop en een bezem voor het huis zetten.

Vuurschepsels

Zij verschenen in twee gedaantes - de goede en de slechte. Er heersten voornamelijk gevoelens van eerbied, vooral in vroegere tijden, waarschijnlijk als een erfenis van een vergoddelijking in de personage van Svarog - Svarožic.

Veldschepsels

Zij behoren tot de natuurdemonen. De korenopa met zijn drie hoofden en zijn vuurtong stelt meer een stroman voor, hetzelfde als 'žithola', die het graan bewaakt tegen kinderen. Als hij de kinderen, die zich in het graan verstoppen, te pakken krijgt, straft hij hen door spijkers in hun billen te slaan. In wezen behoort het merendeel van de schepsels (korenoma, 'kosícka' en 'serpolnica') tot de categorie van de veldnimfen, rusalka's en 'mavka's', die voor de oogst en het vee zorgen. Zij dansen in het koren en laten sporen achter zich in de vorm van ringen met een dikkere begroeiing.

Bosschepsels

Net als de veldschepsels behoren de bosschepsels tot de natuurdemonen. De opper bosschepsel en de heerser van de bossen was de Russische 'lešij' of 'lesovik', de Slavische parallel van de Oudgriekse Pan. Men stelde hem voor als een oud, met groen haar begroeid mannetje met een baard en met klauwen in plaats van nagels. Zijn aanwezigheid in het bos verkondigde hij met het geruis van bomen, echo en storm. Hij beschermde de dieren in het bos.

Mensen die in het bos liepen waren bang voor hem, want hij vond het prachtig om hen ver weg leiden. Hij stal of verwisselde kinderen; daarom moest men zich tegen hem beschermen met een stuk lindehout zonder schors. Hij was in staat zichzelf in een boom te veranderen. Bij de westelijke Slaven is er een 'divý muž'(wilde man). Zijn vrouwelijke rol is 'divá žena' (wilde vrouw), 'divoženka', zij is een kwaad en lelijk wezen, slordig aangekleed, met grote borsten die zij over haar schouder gooit.

Spoken van de tijd

Tussen de middag en rond middernacht is de tijd die over het algemeen beschouwd wordt als het uur van de spoken; een uur dat in alle rust beleefd moet worden. De middagheks beschermt daarom de heiligheid van het middaguur. Zij jaagt mensen weg van de velden en wie zij op het werk treft dwingt ze het hele uur te praten anders dreigt ze hen te onthoofden.

De mannelijke variant van de middagheks is het middagmannetje, een wit jongenspersoon, die eveneens de werkers en de boosdoeners op het veld straft.

Het tegenovergestelde van de middagheks is de middennachtsheks, wiens verschijning rond middernacht plaats vindt en de mensen de dood meedeelt. Haar zuster 'klekánice' (boevrouw), vooral bekend in Tsjechië, diende voornamelijk als een afschrikkend didactisch middel voor kinderen die tot laat in de avond over straat dwaalden.

De lotdemonen

De Slaven waren overtuigd dat achter het lot bepaalde geestesschepsels stonden, die zij met offers dachten te kunnen beďnvloeden en op die manier het lot konden veranderen. In Rusland treden de bijzondere schepsels 'Rod' en 'Rožanice' altijd samen op.

De vrouwelijke tegenstanders noemt men schikgodinnen en zij worden altijd in meervoud vermeld. Zij vervullen hoofdzakelijk dezelfde functie als de Oudgriekse Moira, de Romeinse Parce en de Germaanse Norne. Zij verschijnen rond middernacht tot drie dagen na de geboorte van een kind, gewoonlijk met zijn drieën als doorzichtige figuren van knappe meisjes of oma's, waarbij één het hoogste woord voert. Men bracht hen offers als: brood, zout, kaas, boter, honing, bier en wijn om de goden gunstig te stellen.

Ook het lot kreeg een gepersonificeerde vorm. Het is een oude man, die, als hij in zijn paleis goud strooit, ervoor zorgt dat er rijken worden geboren en als hij glasscherven gooit worden er armen geboren.

Ook ziektes hadden hun oorsprong in demonen: het pestmonster 'Cuma' of 'Lichoradka' veroorzaakte een koude koorts. 'Pristrit' is het monster van de koorts, 'Ospa Matuška' was het monster van de pokken. Begrijpelijk is ook de personificatie van de dood in de vorm van in een witgeklede vrouw of meisje. De brandende kaarsen in haar woning geven leven aan, de uitgedoofde kaarsen de dood. Zij verschijnt op kruispunten, bij bedden van zieken. Als zij bij het hoofd verschijnt verkondigd zij de dood, bij de voeten beterschap.

De huisbeschermers

Het idee dat elk huis een eigen beschermgeest had, die zijn bewoners hielp, was op het hele Europese vasteland verspreid. Merkwaardig is de legende over Vadertje Cech en zijn volgelingen, die hun beschermgeesten op un schouders naar hun nieuwe huizen droegen. 'Šotek' - kaboutertje heeft gewoonlijk de vorm van een jongen met klauwtjes aan zijn handen en voeten. Hij beschermt de kuddes, hij houdt van ondeugende streken, niet alleen bij mensen maar ook bij dieren, vooral in de nacht. Niemand mag hem kwaad doen, anders wordt hij kwaadaardig en wraakzuchtig.

De rijke voorstellingen zijn verbonden met de Russische 'Domový' , die het gelaat van een klein oud mannetje met een witte baard en sprankelende ogen heeft. Hij is gekleed in een rood hemdje met een blauw riempje. In Tsjechië noemt men hem 'Hospodar' - huisvader, omdat hij voor het huis en de welvaart van de bewoners zorgt.

CULTUS VAN BOMEN, PLANTEN EN DIEREN

Bomen

De eerbied voor bomen vormde een onafscheidelijk deel van het Slavisch heidendom. De heiligste boom vande Slaven was de eik, ingewijd aan de donderheerser Perun. Over andere bomen heeft men uit de vroege middeleeuwen geen authentieke berichten. Pas in de 17e eeuw is de eerbied voor de linde in Slavonië bewezen. Algemene eerbied kreeg de maretak, als een beschermend en genezend middel, bijvoorbeeld bij onvruchtbare vrouwen.

Planten

Van alle vegetatie had vooral graan de grootste aandacht. En dat is begrijpelijk. Speciale eerbied kregen de wortels van die planten, die op het menselijk lichaam leken. Wat dat betreft is in het algemeen de mandragora bekend.

Dieren

In dieren zagen de heidense Slaven niet slechts de doofstomme natuurschepsels, maar ook uitingen van de geheimzinnige wereld van geesten en van menselijke zielen, die de gave hadden om een dierenvorm aan te nemen. Men weet over sommige dieren dat zij aan goden ingewijd waren, bijvoorbeeld het paard was ingewijd aan Svantovit en Radegast, het wilde zwijn aan Radegast, de haan aan Svarog en Chors.

Van de huisdieren kregen de stier en het paard de grootste eerbied. We zien hen vaak terug in de vestingwerken van Slavische forten of in stadsmuren. Zij moesten forten en steden grotere stevigheid bieden.

Als huisdier werd ook de slang zeer vereerd. Ook de hond beschermde het huis tegen kwade geesten. Met de kwade krachten werden duidelijk de poes en de geit bedoeld, terwijl de haan, die eveneens als een geliefde offerdier diende, hen weg joeg. De nesten van ooievaren en zwaluwen waren op huizen altijd welkom, omdat zij tegen brand en donder beschermden en geluk brachten.

Tussen wilde dieren speelden in het geestelijk leven de beer, de wolf en het hert de voornaamste rol. De beer beschermde tegen de demonen en kwade tovernarijen.

Tot slot

Wij mogen de vergaande ideologie van de heidense Slaven niet romantisch idealiseren. Zij beleefde al in de vroege middeleeuwen haar verval en daarom kon zij geen stand houden in de concurentie met het aankomend Christendom, die de tijdeisen beter beantwoordde en de maatschappelijke ontwikkeling meer steunde. Aan de andere kant mogen echter niet haar culturele waarden worden overzien, de poëtische schoonheid van de voorstellingen over de wereld en de mens.

Bron: Zdeněk Vána: Svět slovanských bohů a démonů
© Vertaald door: Z. Baakman-Bečková en T. Baakman

Naar boven


www.tsjechisch.nl - Copyright ZBB Vertaalbureau - e-mail: zbb@tsjechisch.nl