|
|
TSJECHISCHE PORTRETTEN (XLIII)Egon Erwin Kisch, de 'razende reporter'Op het ogenblik zijn ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog de Tsjechisch-Duitse
betrekkingen nog allesbehalve ideaal te noemen. De Tsjechen eisen herstelbetalingen
voor de Duitse bezetting, de Duitsers willen een schadeloosstelling voor de
verdrijving van de grote Duitse minderheid na de oorlog. Nog steeds is hiervoor
geen bevredigende oplossing gevonden. Te betreuren valt, dat de invloedrijke
Duitse cultuur in Tsjechië en Slowakije betrekkelijk weinig sporen heeft nagelaten. Kisch (1885-1948) bewoog zich niet alleen in Duitse maar ook in Tsjechische millieus, vooral onder linkse bohémens en anarchisten. Zo had hij nauwe contacten met de bekende Tsjechische schrijver Jaroslav Hašek, auteur van 'De brave soldaat Švejk' met wie hij een reportage 'De reis om Europa in 365 dagen' (1929) schreef. Een belangrijk deel van zijn werk is aan Tsjechische thema's gewijd. Zijn autobiografische 'Marktplatz der Sensationen' verhaalt o.m. over zijn jeugdjaren in de Praagse Melantrichova, toentertijd onder een schijnbaar onwankelbare Habsburgse monarchie nog 'Swefelgasse' geheten. Op twintigjarige leeftijd werd Egon Erwin Kisch stadsreporter bij de Praagse Duitstalige krant 'Bohemia'. Toen hij voor het eerst een grote brand moest verslaan, fantaseerde hij hier het nodige om heen, omdat hij in feite alleen maar vlammen had gezien. Al in de jaren twintig verkreeg hij bekendheid door zijn boek 'Der rasende Reporter', waaraan de grondlegger van de reportagejournalistiek zijn bijnaam dankte. In 'Klassischer Journalismus' (1923) noemt hij de befaamde negentiende-eeuwse Tsjechische journalisten Karel Havlíèek Borovský en Jan Neruda als zijn journalistieke voorbeelden. Maar ook Hašek en Heine waren zijn favoriete schrijvers. Kisch was een zeer producktief schrijver. Zijn oeuvre omvat meer dan dertig banden: reportages, verhalen, cultuurhistorische essays, toneelstukken, een oorlogsdagboek en een roman. Van een zakelijke reportage kon hij een kunstwerk maken. Weinigen, die hem kenden, wisten echter dat de vlotte causeur, die allerlei amusante belevenissen en anecdotes kon vertellen, maar moeizaam en vooral consciëntieus zijn ervaringen op papier zette. Hij was altijd op zoek naar de wezenlijke kern van wat hij zag, naar datgene dat verborgen bleef achter de schijn, uitgaande van de overtuiging, dat 'Wahrheit das edelste Rohmaterial der Kunst' is. In zijn 'Von der Reportage' schrijft hij over het verband tussen waarheid en fantasie: 'Bedarf die Gestaltung der Wahrheit keiner Phantasie? Er ist wahr, die Phantasie darf sich hier nicht entfalten, wie sie lustig ist, nur der schmale Steg zwischen Tatsache und Tatsache ist zum Tanze freigegeben, und ihre Bewegungen müssen mit den Tatsachen in rhytmischen Einklang stehen ...' Kisch onderscheidde zich van andere verslaggevers door gebruik te maken van literaire middelen als beeldspraak, dialogen en zelfs de 'monoloque intérieure'. (1912). Zijn betrokenheid bij het Praagse leven blijkt uit titels als 'Prager Kinder' (1913), 'Die Abenteuer in Prag (1920)m 'Soldat im Prager Korps' (1922) en 'Prager Pitaval' (1931). Kenmerkend voor de 'razende raporter' is ook dat hij tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen de haat tegen Frankrijk kunstmatig werd opgevoerd, positief schreef over Voltaire, Victor Hugo, Emile Zola en Jean Jaures! In zijn tekening van het nachtleven en de onderwereld in de oude stad aan de Moldau met zijn smalle middeleeuwse straatjes, zijn donkere steegjse en 'Durchäuser' (overdekte verbinding tussen twee straatjes) wordt Kisch door niemand overtroffen. Als geen ander was hij op de hoogte van de Praagse topograie. Hij was geinteresseerd in allerlei 'krváky' (bloedige geschiedenissen) en 'pitavaly' (ongewone rechtzaken) waarvan hij flitsende reportages maakte. Hij trad hiermee in het voetspoor van zijn even bekende tijdgenoot Karel Èapek, die in 1929 zijn 'Geschidenissen uit de ene en uit de andere zak' schreef. Chroniqueur van het Praagse leven Iedere dag bezocht hij het politiebureau om berichten te verzamelen, waarvan hij reportages maakte. Hij streefde er allerminst naar misdadigers tot heroische figurente maken (zoals in toenmalige gangsterfilms), maar veeleer interesseerden hem de achtergronden van de misdaad: de motieven van de dader en de maatschappelijke achtegronden. Kisch ontdekte hoe fantastisch, paradoxaal en onbegrijpelijk de werkelijkheid kon zijn: deze thema's vormen de kern van zijn 'Kriminialistisches Reisebuch' (1925) en 'Prager Pitaval' (1931). Ook uit deze boeken spreken het scherpzinnige oordeel en de nauwkeurigheid van de Praagse chroniqueur. Kisch zocht de realiteit van het Praagse leven en had een afkeer van de romantische sfeer, die niet alleen het werk van Rilke ademde maar ook van de bekende Tsjechische schrijvers. Als joods schrijver werd Kisch ook gefascineerd door de legende Golem; de door
een rabbi geschapen robot, die de joden bijstaat. Het verhaal, dat de resten
vande Golem op de zolder van de Praagse Alt-Neu-Synagoge waren achtergebleven,
bracht Kisch ertoe daar een onderzoek in te stellen. Blijkens zijn reportage
'Den Golem wiederzuerwecken' (in 'Geschichten aus sieben Ghettos') vond hij
behalve veel stof en een vleermuis niets op de zolder. Uit zijn verslag blijjkt
wel hoe groot de invloed van deze legende was, maar Kisch hechtte meer waarde
aan eigen onderzoek dan aan verhalen van anderen. In 1921 was Kisch naar Berlijn vertrokken maar hij bleef voortdurend in contact
met zijn vaderstad Praag, getuige zijn bijdragen in de 'Alt-Prager Almanach'. In 1926 ging Kisch met zijn moeder op vakantie naar Nederland; de vakantie verhinderde hem niet reportages te schrijven over zijn bezoeken aan o.m. Den Haag, Rotterdam, Alkmaar en Naarden, waar hij zijn Tsjechische achtergrond niet verloochende en op zoek ging naar het graf van Jan Amos Komenský (Comenius), de grootste Tsjechische emigrant naar Nederland. Ook in de jaren dertig bezocht Kisch Amsterdam, dat hem aantrok door zijn vele emigranten. 3) Komisch theaterstuk De veelzijdige Kisch heeft in 1920 ook een komisch stuk in drie acten geschreven,
'Die gestohlene Stadt' met de meesterdief 'Käsebier', een histroische figuur,
als belangrijke held. De comedie speelt in Praag in het jaar 1756 in het bekende
slot 'Hvìzda' (Ster) op de Witte Berg bij Praag. Koning Friedrich II van Pruisen
belegert Praag en laat de wegens zijn sluwheid beruchte Käsebier uit de gevangenis
halen om hem te helpen bij zijn belegering. De Pruisische koning bevindt zich
in een hachelijke positie omdat een Oostenrijks ontzettingsleger onderweg is.
Käsebier moet als spion fungeren om Praag in handen van de koning te spelen
('die gestohlene Stadt'). De koning heeft de meesterdief echter beledigd door
te weigeren hem aan een koninklijke dis te laten deelnemen. Intussen naderen
de Oostenrijkse troepen. Een trompetter van de Oostenrijkers meldt zich met
een witte vlag nadat het leger van de Prusische koning op de vlucht is gejaagd.
Het blijkt de vermomde Käsebier te zijn. De koning, opnieuw overtuigd van Käsebiers
slimheid, wil hem in dienst nemen. Maar deze verkiest de vrede boven de oorlogszucht
van de vorsten. De oorlog voerde hem via diverse omzwervingen naar Mexico. Hij werkte mee aan de in 1944 in Londen verschenen bundel 'Stimmen aus Böhmen'. In 1946 keerde Kisch terug naar Praag. Zijn laatste werk schreef hij in het Tsjechisch. De populaire reporter en vriend van Beneš overleed in maart 1948. Noten
|